www.meesterrien.nl
 
HomeOnderwijsLessenLink  
 
Lessen
Kip en het ei
Paastekenfilm
Koninginnedag
Boek Maken
De Spin
Prinsjesdag
Lampion
Schapen
Gedichten
Weven
Paarden
Herfst
Rekenen
Taal
Zinsontleden
Spelling
Zintuigen
Sinterklaas
Aardrijkskunde
Koe
Tekenen
Godsdienst filmpjes

Zoeken op de site

Meester Rien

Website voor:

  • Leraren
  • Leerlingen
  • Onderwijs
  •  

     

     Zinsontleden (download kaarten)

    Het onderwerp

    Bijvoeglijk naamwoord

    Stel de vraag: wie of wat + persoonsvorm? Het antwoord is dan het onderwerp

     Vaak: personen, planten, dingen, dieren

     Staat er wie in de zin, dan vervangen door bijv. de man. (wie geeft mij de lepel? De geeft mij de lepel)

     (in gebiedende wijs staat gé

    én onderwerp!)

    Zegt iets over het zelfstandig naamwoord.

     Bijv: rode, dikke, boze, lange, mooie, kartonnen.

     Charlot heeft een

     

    blauwe pen.

    Tegenwoordig deelwoord

    Werkwoordelijk gezegde

    Werkwoord dat bestaan uit: stam+ (e)nd(e)

    Bijvoorbeeld: de zaak is hangende.

    Hangend is dan het werkwoord!

    Hangende is dan het tegenwoordig deelwoord!

    Het werkwoordelijk gezegde is de

    Persoonsvorm + alle andere werkwoorden

     Bijvoorbeeld:

    • Eefje is naar huis gelopen.
    • Eefje zal naar huis lopen.
    in de zin.

    Bepaling van plaats

    Lidwoorden

    Deze geeft antwoord op de vraag waar?

     Bijvoorbeeld: Mijn nichtje speelt in de tuin.

     

     

    Er zijn maar 3 lidwoorden namelijk de, het en een.

     De, het

    Een

    zijn bepaalde lidwoordenis een onbepaald lidwoord.

    Komen altijd voor in combinatie met een zelfstandig naamwoord.

     

    Hele werkwoord 

    (infinitief)

     De persoonsvorm

     

    Zoals je het hoort.

    Bijvoorbeeld: ik achtervolg de dief

    Hele werkwoord

     

    Vaak kun je ook denken: ‘Ik kan ……………….." Wat op de stipjes staat is het hele werkwoord.

    = achtervolgen

    1 Zet de zin in een andere tijd en ontdek hoeveel persoonsvormen er in staan

     2 Stel een vraag die je met ja of nee kunt beantwoorden, de pv staat voorin de zin.

     

    Het zijn vaak handelingen! Zoals werken, lopen, eten.

     

    Persoonlijk voornaamwoord

    Bezittelijk voornaamwoord

    Komen vaak als onderwerp of als lijdend voorwerp voor. Je kunt iemand aanwijzen!

     
    • Ik
    • Jij/je
    • Hij, zij, ze, het, ‘t
    • Wij, we
    • Jullie, u
    • Zij, ze
    • Mij, me
    • Jou/je
    • Hem, haar, het
    • Ons, jullie
    • Ze, hen, hun

     

    Het is een bezit van iemand.

    Het is        

    • mijn, m’n
    • jouw, je
    • zijn, z’n
    • haar, d’r
    • ons, onze
    • jullie, uw
    • hun

     

    jouw tas.

    Bepaling van tijd

    Lijdend voorwerp

    Deze geeft antwoord op de vraag wanneer?

     

    Bijvoorbeeld: Morgen gaan we naar de film.

     

    Wie/wat + gezegde + onderwerp

     

    Lijdend voorwerp waarop de aandacht van het onderwerp is gericht.

     Bijvoorbeeld: ‘Ik schreef mijn neef een ansichtkaart.’

    Vraag: Wat schreef ik aan mijn neef?

    Een ansichtkaart = lijdend voorwerp

    Uitleg

    Werkwoorden

    Meewerkend voorwerp

    Werkwoorden kunnen van persoon, getal, tijd veranderen. (bijvoorbeeld hebben, willen, gaan, komen, eten, slapen)

     

    Ik ga ik ging

    Hij gaat hij ging

    Wij gaan wij gingen

    (Wij zijn) gegaan (=voltooid deelwoord)

    (de verloren) gegane (boot) (bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord)

    Het woord waar aan of voor voorgezet kan worden

     

    1) Pers.vorm, 2) gezegde, 3) onderwerp, 4) lijdend voorwerp 5) meewerkend voorwerp

     

    De man in de winkel verkoopt (aan) Jesse een cd-speler.

    Zij geeft (aan) hem de cd.

    Zij geeft hem de cd.

    Voltooid deelwoord

    Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord

    Deze zinnen kun je ervan maken:

     

    Ik heb …….

    Wij zijn …..

    Wij hebben…..

     

    (verloren, gevonden, gezocht, gelachten) (geholpen, gearriveerd, gevallen)(gelopen, gezegd, gebrand)

    Zie bijvoeglijk naamwoord, maar nu met een voltooid deelwoord.

     

    De ………….. boom.

    De gevallen boom.

    De gebrande boom.

     

    Eindigt op –en dan veranderd het niet.

     

    Eindigt op –d of –t dan –e toevoegen.

     Bijv.

     

    Begrijpend lezen

     

     

    Voor het lezen:

     

    • Waar denk je dat de tekst over gaat als je kijkt naar de titel en de plaatjes?
    • Wat weet je al van dit onderwerp?
    • Wat wil je te weten komen?

     

    (voorspellen)

     

     

     

     

     
    © www.meesterrien.nl, laatste wijziging 12-04-2014 Webdesign by boensma.net print page